Tattoo

Het was op een van die mooie dagen begin augustus. Ik zet mijn fiets neer en terwijl ik opkijk nadat ik mijn sloten om een stang heb gelegd, valt mijn oog op de bovenarm van een man die nog bezig is met zijn fietsslot. Gewend aan getatoeëerde lichaamsdelen, armen, benen, ruggen waarvan elke centimeter huid is ingekleurd, valt deze tattoo juist op omdat de rest van de huid onbedekt is. Een beetje zoals het wit tussen de regels zin geeft aan de woorden.

Bijzonder is de tattoo ook, omdat het niet een symbolische of grafische afbeelding is, maar een portret dat zo realistisch is dat het meer op een foto lijkt dan op een tattoo . En dan ook nog één die kort tevoren is gemaakt. Ik kijk nog eens goed en vraag me af om welke bekende artiest of idool het gaat. Ik herken het niet zo één-twee-drie. Op dat moment kijkt de man op en onze ogen ontmoeten elkaar. Ik besluit het hem te vragen.

‘Wat heb je een gave tattoo op je arm, ‘ begin ik.

‘Dankjewel. Ik ben er zelf ook trots op.’

Hij komt dichter bij me staan en legt uit dat er een heel verhaal achter zit. ‘Ik ben helemaal niet iemand die zomaar z’n hele lichaam zou laten tatoeëren.  Ik heb ik me er eerst in verdiept. Het heeft natuurlijk een hele geschiedenis. Bij zeevaarders en in het leger waren het tekenen van moed en eer.’ Ik knik en herinner me dat ik in een boekje over Siberische criminelen had gelezen dat je aan de tattoo  en de plek waar ze gezet waren kon zien in welke gevangenis iemand had gezeten. En wat voor ellende ze hadden uitgehaald. Elke actie moest gemarkeerd worden. Hoe meer tattoos hoe duidelijker de positie in de volgende gevangenis. 

De man gaat verder: ‘Het was nog een hele zoektocht om een goeie en betrouwbare persoon te vinden. Het werd iemand  uit Nijmegen.’  Z’n  accent had al verraden dat hij uit het Oosten van het land kwam. “Het was een master in z’n vakgebied. Het was niet goedkoop, maar dat had ik er graag voor over.  Ik heb een vervelende vechtscheiding achter de rug. Ronduit vreselijk. Het heeft al met al wel tien jaar geduurd. Maar het ergste is het natuurlijk voor het kind. Die zit er tussen.  Om het weekend kwam mijn zoon bij mij. Dat ging best goed, dacht ik. Totdat mijn zoon mij op een dag zei dat hij het zo’n gedoe vond. Dat heen en weer gesleep met tassen en spullen. Daar kon ik goed inkomen. Hij wilde liever bij zijn moeder wonen, daar had hij al zijn spullen, zijn vriendjes etc. Ik heb hem toen los moeten laten en dat was slikken. Ik miste hem. Ik wilde niet een foto op de wand. Maar ik wilde hem bij me dragen. Zo is deze tattoo ontstaan. Inmiddels is hij al volwassen en is dit letterlijk geschiedenis. Toch heb ik er geen spijt van.

‘Sommige herinneringen wil je altijd bij je houden.’

Als ik terugfiets, denk ik na over de merkwaardige paradox van loslaten en vasthouden. De hoeveelheid selfies en foto’s die we dagelijks maken van onszelf en anderen, van alles wat we mooi en chill vinden dat we daarna weer posten op Instagram of opslaan in de Cloud is een reis in hechten van momenten – klik - van onthechten –delen - van opslaan – twee keer klikken. Al die waardevolle momenten verzamelen we in no time. Je hoeft niet echt te kijken naar de Mona Lisa in het Louvre. Je kunt de foto thuis of waar je ook bent op een scherm bekijken, maar je wilt wel die foto van jezelf naast de Mona Lisa. Zodat je die kunt delen met anderen. Zodat die weer weten dat je er echt geweest bent. Het is op een rare manier een vergelijkbaar traject als we met het geloof hebben afgelegd. Ooit vereerden we goden buiten ons en maakten we afbeeldingen van die godheden die we in ons huis konden aanbidden. We maakten levensgrote beelden voor in onze godshuizen en kerken, waar we als gemeenschap gezamenlijk ons geloof konden belijden. Totdat ze hun functie verloren. Kerken zijn nu cultureel erfgoed. De tattoo een tastbare herinnering is van een episode uit zijn leven. Nu reizen we de hele wereld over om die onze 'cosmic footprint' te delen met anderen, zodat we weten dat we bestaan en dat anderen dat geloven. To be or not to be.